BRASSCHAAT

HUIZE MARTHE ROBIN

+32 (0)3 645 14 67

{

“Op het ogenblik dat men de H. Communie ontvangt moet men knielen.” 

    H. Paus Pius X, Catechismus, +1914

 

    “De Heilige Instellingen aanraken is een privilege van de gewijden.” 

    Paus Johannes Paulus II, 1980

 

    “Het grootste kwaad in de crisis van de Kerk is de moderne vorm van het ontvangen van de H. Communie: staande op de hand.”

    H. Moeder Teresa van Calcutta, +1998

 

    “Tijden van bloei of verval in de geschiedenis van de Kerk waren altijd verbonden met de wijze waarop de Heilige Eucharistie benaderd werd.”

    H. John Fischer, kardinaal en martelaar, +1535



Geknielde tongcommunie de norm


    “Het geknield en op de tong ontvangen van de Communie laat de waarheid van de Werkelijke Tegenwoordigheid in de H. Eucharistie duidelijk naar voren komen, helpt de eerbied van de gelovige en introduceert gemakkelijker de zin voor het mysterie… het is urgent de heiligheid van het Sacrament te benadrukken en te ontdekken”.


                        Mgr. Guido Marini, pauselijk ceremoniemeester, Osservatore Romano, 26 juni 2008


    „In de Apocalyps vertelt St. Johannes dat hij zich neerwierp ter aanbidding voor de voeten van Gods Engel, nadat hij gezien en gehoord had, wat die hem openbaarde (Ap. 22,8). Zich neerwerpen of neerknielen voor de majesteit van de aanwezigheid van God, als gebaar van nederige aanbidding, was een gewoonte van eerbetoon dat Israel altijd koesterde voor de tegenwoordigheid van de Heer. ... Diezelfde traditie is terug te vinden ook in het Nieuwe Testament, waar men leest dat Petrus voor Jezus neerknielde (Luk. 5, 8), dat Jairus voor Jezus neerknielde om Hem te vragen zijn dochter te genezen (Luk. 8, 41), dat de Samaritaan, die teruggekeerd was om Jezus te bedanken, voor Hem neerknielde, en dat Maria, de zuster van Lazarus, voor Jezus neerknielde om Hem te vragen haar broer tot leven te herroepen (Joh. 11, 32)”

    “Nauw verbonden met deze traditie was de overtuiging, dat de Heilige Tempel te Jeruzalem de woonplaats was van God Zelf, en dat men daarom in de Tempel uitwendige houdingen diende aan te nemen, die een diep gevoel van deemoed en eerbied in aanwezigheid van de Heer uitdrukten. Ook in de Kerk, de diepe overtuiging dat onder de Eucharistische Gedaanten de Heer waarlijk en werkelijk tegenwoordig is, en, tegelijkertijd, de toenemende gewoonte om de Heilige Communie in het Tabernakel te bewaren, droegen erbij, dat men voor de Eucharistische Heer met een houding van deemoedige aanbidding ging knielen.''

    “Overigens, de H. Thomas van Aquino had de Eucharistie reeds als 'latens Deitas' (verborgen Godheid) beschreven (bijvoorbeeld, in de hymne 'Adoro Te devote'). Het geloof, dus, in de Werkelijke Tegenwoordigheid van Christus in het Allerheiligste Sacrament des Altaars behoorde toen al tot het wezen van het geloof van de Katholieke Kerk, en was een onmisbaar onderdeel van de katholieke identiteit. Het was toen al duidelijk, dat men de Kerk niet kon opbouwen indien het geloof daarin op de geringste wijze aangetast was.”


“Om die reden moest de Eucharistie - het brood, dat wezenlijk veranderd is in het Lichaam van Christus, en de wijn in het Bloed van Christus - God met ons - ontvangen worden met bewondering, met de grootste eerbied en met een houding van deemoedige aanbidding. Paus Benedictus XVI, met verwijzing naar de woorden van de H. Augustinus – ‘niemand mag dat Vlees nuttigen, tenzij hij Het eerst heeft aanbeden; wij zouden zondigen door Het niet te aanbidden’ – benadrukt, dat ‘het ontvangen van de Eucharistie betekent dat wij ons in houding van aanbidding stellen ten opzichte van Hem Die wij ontvangen ... enkel in aanbidding kan een diepe en echte ontvangst rijp worden’”.

    

3. Hand- of tongcommunie

    “In sommige kerken merkt men dat de hierboven beschreven praktijk steeds minder wordt, dat diegenen, die de verantwoordelijkheid dragen, de gelovigen niet alleen dwingen het Allerheiligste staande te ontvangen, maar zelfs alle knielbanken weg uit de kerk gehaald hebben, en zo de gelovigen dwingen te zitten of te staan, zelfs tijdens de Opheffing van de Eucharistische Gedaanten die ter aanbidding gesteld worden. Het is merkwaardig, dat zulke maatregelen genomen zijn - in de bisdommen door de liturgisten, in de parochiekerken door de pastores - zonder de gelovigen in het minst te raadplegen, al heeft men in vele kringen, heden meer dan ooit eerder, de mond vol van ‘democratie binnen de Kerk’”.

    “Tegelijkertijd, als men het over ‘Communie op de hand’ heeft, moet men toegeven, dat deze praktijk, die abusievelijk (tegen de wet in) en met haast in sommige kerkelijke kringen meteen na het Tweede Vaticaanse Concilie ingevoerd is, de voormalige eeuwenoude praktijk gewijzigd heeft, en nu de gewone praktijk is geworden voor de hele Kerk. Zo’n wijziging werd gerechtvaardigd door te beweren dat die met het Evangelie of met de oude praktijk van de Kerk beter overeenkwam. ... Sommigen trachten deze praktijk te rechtvaardigen door de woorden van de Heer Jezus aan te halen: ‘Neemt en eet’ (Marc. 14, 22; Matth. 26, 26). (‘accipite’ betekent echter: ‘ontvangt’). Welke ook de redenen zijn ter ondersteuning van deze praktijk, men kan niet negeren al wat op wereldwijd niveau geschiedt, waar maar deze praktijk uitgevoerd wordt. Dit gebruik (Communie op de hand) draagt ertoe bij, dat, op geleidelijke en toenemende wijze, de houding van eerbied jegens de H. Eucharistische Gedaanten steeds zwakker wordt. De vroegere gewoonte (Communie op de tong), integendeel, beschermde beter het gevoel voor eerbied en ontzag. In plaats daarvan, zijn een verontrustend gebrek aan bewustzijn en een sfeer van algemene onaandachtigheid binnengeslopen. Tegenwoordig ziet men vaak communicanten die terug naar hun plaats lopen alsof niets bijzonders gebeurd was. Des te meer afgeleid zijn de kinderen en jongeren die communiceren. In vele gevallen merkt men niet dat gevoel voor ernst en inwendige stilte dat de aanwezigheid van God in de ziel moet aanwijzen.”

    “Er zijn nog de misbruiken van diegenen, die de Heilige Hostie meenemen om Haar als een soort souvenir te bewaren, die Haar verkopen, of, nog erger, die Haar wegbrengen om Haar in satanische rituelen te ontheiligen (ontwijden). Zulke toestanden komen vaker voor. Zelfs tijdens de grote concelebraties, ook in Rome, vindt men menigmaal geconsacreerde Hosties op de grond geworpen.”

    “Deze toestanden dwingen ons niet alleen over het ernstige geloofsverlies na te denken, maar ook over de heiligschennissen en grove beledigingen van de Heer, die Zich verwaardigt ons tegemoet te komen om ons aan Zich gelijk te maken, opdat Gods heiligheid zich in ons zou weerspiegelen.”

    “De Paus spreekt over de noodzakelijkheid niet alleen om de ware en diepe betekenis van de Eucharistie te begrijpen, maar ook over de noodzakelijkheid om Haar met waardigheid en eerbied te vieren. Hij zegt, dat men bewust moet zijn van het belang van ‘de gebaren en de houdingen, zoals de kniebuigingen bij de belangrijkere momenten van de Canon van de Mis.’ (Sacr. Car., 65). Overigens, wanneer hij het over het ontvangen van de Heilige Communie heeft, nodigt hij allen uit om ‘alles mogelijk te doen omdat het gebaar in zijn eenvoudigheid overeenkomt met zijn waarde als persoonlijke ontmoeting met de Heer Jezus Christus in het Sacrament.’ (Sacr. Car., 50).”

    “Nu denk ik dat de tijd rijp is de bovengenoemde praktijk (op de tong) te gaan herwaarderen, en de tegenwoordige praktijk (op de hand) te herzien, en, desnoods, af te schaffen. Deze laatste praktijk werd noch in Sacrosanctum Concilium, noch door de Concilievaders uitgestippeld, maar werd pas later aanvaard na een wederrechtelijke invoering in sommige landen. Nu, meer dan ooit eerder, is het noodzakelijk de gelovigen te helpen een levendig geloof in de Werkelijke Tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie te hervinden, opdat het leven zelf van de Kerk versterkt en beschermd wordt te midden van de gevaarlijke verminkingen van het geloof, die de huidige toestand blijft veroorzaken.”


    Aartsbisschop M. P. Ranjith, secretaris van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst,

voorwoord in ‘Dominus Est’ door Mgr. Athanasius Schneider.


{

OVER DE

TRIDENTIJNSE LITURGIE

(placeholder)

x